Inequality for all (ongelijkheid voor allen) naar Robert B. Reich

een uittreksel waar ik zo weinig mogelijk aan heb proberen toe te voegen

 

Terug naar CochA

 

Er is ťťn leidende gedachte. Als je klein bent moet je, om te overleven, steun zoeken bij grote en sterke partners.

 

Deel I

1.    Het fundamentele inzicht

Kern van het probleem van de inzakkende economie is dat de producenten en de mensen die consumeren steeds minder geld tot hun beschikking krijgen. Zij kopen minder. Daardoor krimpt uiteindelijk de economie.

 

2.    Parallellen

De beste tijd voor de economie is de periode waarin ondernemers nog niet te veel macht hebben en reŽle lonen betalen aan de arbeiders. Denk aan Ford.

         De eerste aantoonbare ontwikkeling start in 1885 tot aan de crash in 1928.

         De tweede aantoonbare ontwikkeling begint in 1940-Ď45 en crasht in 2007.

In beide periodes zien we dat het aandeel van de rijken in het nationale inkomen sterk stijgt. Daardoor valt consumptie weg en loopt het spaak op een moment dat een crisis overwonnen moet worden.

Rijke mensen hebben geen reden om meer geld uit te gaan geven. Arme mensen hebben geen geld om uit te geven. De economie droogt langzaam uit.

 

3.    De basisovereenkomst

Ondernemers proberen altijd hun inkoopkosten laag te houden. Om die reden willen ze ook de lonen laag houden. Wat ze echter vergeten is dat de lonen de koopkracht vormen van de markt die hun producten moeten kopen.

Ford is daarvoor het grote voorbeeld. In een tijd dat het gemiddelde loon 2 dollar per dag was, betaalde hij zijn personeel 5 dollar per 8 urige werkdag. Dan konden ook zij na verloop van tijd zijn autoís kopen. Ford werkte zo aan zijn toekomstige afzetmarkt.

 

4.    Inkomensopeenhoping aan de economische top doet pijn

De andere kant van het probleem is, dat een kleine groep mensen met heel grote financiŽle vermogens, steeds meer vermogen krijgen en niet weten waaraan ze het moeten besteden. Ze kunnen maar een auto tegelijk rijden, in een huis wonen, een stel kleren dragen.

Ze wachten rustig tot ze hun geld met veel rendement en weinig risico kunnen investeren om nog meer geld te krijgen. Want geld weggooien dat is zonde.

Wat daarbij wordt vergeten is dat de economie opdroogt. Hun geld wordt niet meer gebruikt voor consumptie, daarvoor hoeft niet meer geproduceerd te worden, geen loon verdiend, geen winst gemaakt, de economie krimpt.

 

5.    Waarom beleidsmakers meegaan met de financiŽle economie en niet met de reŽle economie

Het samengaan van lokale spaarbanken, leenbanken (als in NL Middenstands-, Raiffeisen- en Boerenleenbanken), en grote internationale banken vond voor de eeuwwisseling plaats. De scheiding met verzekeringsmaatschappijen was al eerder opgeheven. De gokkers van de grote banken konden hun gang gaan. Het is gewoon bankieren met extra grote sommen geld en heet High Finance. Bijna alle mislukte gokken van die sector werden afgedaan met steun van de belastingbetaler.

 

De financiŽle wereld verdiende veel en werd steeds drastischer. Problemen waren er in de reŽle economie. Men zei dat China te veel spaarde terwijl westerse landen te veel uitgaven, en leenden. Veel landen met een goede reŽle economie leenden aan de USA. Dat waren Japan, China, Duitsland en de olielanden.

Het probleem was dat de USA niet bezuinigde op consumptie en harder ging werken. Men bleef lenen en consumeren. De oplossing was dat de regering vooral contact had met mensen uit de financiŽle wereld.

 

Maatregelen die de regering neemt zijn over het algemeen gericht op het overeind houden van de financiŽle instituties en van de rijken. Wat ze vergeten is dat de economie draait op de consumptie van de gemiddelde inkomens.

 

De armste 25% consumeren alles, de middelste 50% consumeren en geven geld uit aan autoís, aan huishoudelijke apparatuur, aan huizen en woninginrichting. De rijkste 25% heeft alles al en zal nauwelijks meer besteden. En die laatste groep wordt in de crisis geholpen, terwijl het nauwelijks effect op de economie heeft. Integendeel, de economie krimpt verder.

 

6.    Langdurige groei: 1947-í75

In de periode na de wereldoorlog maakte massaproductie massaconsumptie mogelijk dankzij de goede lonen die werden betaald. Men had geen topinkomens nodig om bedrijven te laten groeien. Bedrijven groeiden omdat mensen geld hadden om te besteden. Tijdens de oorlog had men veel gespaard. Daarom was er na de oorlog een flinke economische vraag. En als het wat minder ging kregen de werklozen een uitkering zodat de consumptie door kon gaan en de crises niet te diep werden.

 

Dit is voor een deel ook te danken aan de regeringssteun voor de onderhandelingsmacht van de vakbonden. Doordat de vakbonden macht konden uitoefenen, konden ze hogere lonen bedingen. Die hogere lonen waren niet slecht voor de bedrijven, want de hogere lonen betekenden ook meer consumptie. De meeste mensen waren werknemer en de economie ontwikkelde zich stabiel. De overheid stimuleerde het eigen woning bezit en het ging goed met de USA.

 

Onderwijs was een voorziening voor iedereen, gratis. Door het gratis onderwijs ontwikkelde de economie zich steeds beter. De defensie-industrie gaf werk aan vele hoog geschoolde werkers en producten van die sector vonden hun weg naar de burgerlijke economie. Hetzelfde gold voor de ruimtevaartindustrie.

 

Belangrijk was ook dat in die tijd de belastingen hoog waren. In de USA waren de hoogste belastingen voor de hoogste inkomens tussen de 70-90%. Dit taste de economische groei niet aan. De consumptie bleef doorgaan. De middeninkomens bleven wel consumeren, er stroomde weinig consumptie weg door hoge inkomens.

 

7.    Weer aan dezelfde steen gestoten

Na de jaren 70 daalde de lonen in de USA gestaag. Net als in de rest van de industriŽle westerse wereld. De arbeidsproductiviteit groeide door, de economieŽn groeiden door, maar de lonen van de werknemers bleven achter. Daardoor bleef de consumptie achter bij de productie.

Om kosten te drukken werden bedrijven vanuit de USA verplaatst naar lage lonen landen. Werknemers verloren hun baan, er kwam goedkope import voor terug. En amusement en productideeŽn vonden hun weg van de USA naar de rest van de wereld.

 

Daarnaast verdwenen banen door de automatisering. Producten konden beter en goedkoper geproduceerd worden. Men had er nauwelijks nog personeel nodig. Die bedrijven werden vaak met veel belastinggeld mogelijk gemaakt.

 

Behalve dat handel en technologie veel banen lieten verdwijnen kwamen er ook banen bij. Alleen die banen betaalden niet veel. De bekende hamburgerjobs. Ondertussen werd men op hoger management niveau en bij de financiŽle instellingen wel zeer goed betaald.

 

De kernvraag is waarom die kleine groep mensen zoín groot deel van het nationale inkomen naar zich toe kon trekken, terwijl de rest steeds minder kreeg.

 

Men had dat geld kunnen gebruiken voor meer en beter onderwijs. Men had werkers meer onderhandelingsmacht kunnen geven zodat de lonen hoger zouden worden. Het sociale vangnet had vergoot kunnen worden. Er had een beter zorgsysteem opgetuigd kunnen worden. Bedrijfssluitingen zouden geconfronteerd kunnen worden met de kosten waar ze de maatschappij mee opzadelden. Ze laten betalen voor omscholing en doorbetaling van de lonen voor een jaar.

 

Waarom zijn de belastingen van de rijken niet omhoog gegaan om dit te betalen? Waarom zijn de belastingen van de lager betaalden niet naar beneden gegaan? Waarom heeft men geen straffen ingevoerd voor mensen die hun kapitaal elders onderbrachten met als enig doel geen belastingen te betalen.

 

Men had onderzoek kunnen subsidiŽren en banen die daaruit voortkwamen verplicht in de USA laten plaatsen. Handelspartner zouden verplicht kunnen worden tot het invoeren van een minimumloon, waardoor een wereldwijde middenklasse zou ontstaan.

 

Op die manier zou de USA de basisovereenkomst van de economische groei hebben doorgegeven aan de rest van de wereld. Maar wat deed de politiek?

 

De politiek vernietigde het sociale vangnet, de politiek halveerde de belastingen van de hoge inkomen met het argument dat anders de investeringen werden geremd. De kosten van het hoger onderwijs werden verhoogd met het argument dat het een investering in toekomstige verdiencapaciteit is. Erfenissen werden nauwelijks nog belast en de belastingen van de werkende bleven hoog, hoger dan de belastingen op kapitaalinkomsten. Erger, belastingen oploon en consumptie gingen omhoog. Allemaal ten gunste van de rijken.

 

Werknemers in de USA moesten het zelf maar uitzoeken, en bedrijven verdienden meer buiten dan in de USA. De inkomsten van de topmensen gingen sterk omhoog, en de handel in aandelen en financiŽle dienstverlening leverden inkomen op in nog hogere sferen.

Het belang van financiŽle activiteiten werd groter dan het belang van de productie. De verwachtingen van beursspeculanten bepaalden het beleid. De aandelen markt werd de graadmeter van het nationale succes. Net als voor de grote crisis. En de overheid liet dit gebeuren.

 

Naderhand heeft men de schuld gegeven aan de mensen die huizen kochten terwijl ze het eigenlijk niet konden betalen. De schuld wordt ook gelegd bij de middenklasse die meer heeft geleend dan ze kunnen terugbetalen. Deze argumenten leiden af van het feit dat deze mensen niet het geld konden verdienen dat ze nodig hadden om hun productie te kunnen kopen.

 

De politiek vond dat de overheid te veel voor de burgers deed (Reagan) maar de burgers vonden dat ze dat wel nodig hadden en staken zich daarvoor in de schulden. De rijen kregen met hun rijkdom navenant invloed op de politieke besluitvorming. Lobbyen werd van een laakbare activiteit een normaal verschijnsel. Het grote geld kreeg steeds meer invloed op de politiek om haar plannen en handelswijzen door te kunnen zetten.

 

Waarom dit kon gebeuren? Omdat het collectieve geheugen ondertussen was overleden. Ze hadden alleen nog geleerd over het succes van de markt en eindeloze winsten en de falende overheid.

 

De kiezers waren op zichzelf, alleen, en werden bestookt door vrije markt ideologen.

 

8.    Drie aanpassingsmechanismen om te blijven kopen

Sinds de jaren 70 neemt het looninkomen als aandeel in het BBP af.

1)    Dat de mensen als consument welvarender werden kwam doordat vrouwen erbij gingen werken.

2)    Het gezin kreeg meer inkomen door meer uren te gaan werken. Toen de mensen niet meer tijd hadden om nog meer te werken ging eerst het spaargeld er aan en kwam de mogelijkheid voor extra krediet beschikbaar.

3)    De prijzen van de huizen waren door de economische groei en de gestegen vraag flink in waarde gestegen. Op basis van die meerwaarde kon men geld lenen. Totdat de rente niet meer betaald kon worden en de hypotheken niet afgelost.

 

Toen viel het kaartenhuis in elkaar. Daarna nam de consumptie sterk af, met als gevolg meer werkloosheid, nog minder consumptie, etc. mensen konden niet meer leven zoals ze gewend waren om te leven en zoals ze vonden dat ze moesten kunnen leven.

 

9.    De toekomst zonder aanpassingsmechanismen

Leeft de USA boven zín stand of, heeft de economie niet genoeg middelen tot zín beschikking. Heeft men te veel geld, of heeft men te weinig geld beschikbaar? Al gauw sprak men over de hypotheekschulden. Dat was een dringend probleem, maar Ö

Om de productiecapaciteit van de USA voldoende te kunnen uitnutten is er meer inkomen nodig, meer besteedbaar inkomen nodig. Banen, meer uren, betere betaling, dat ontbreekt. Containers, computers en internet heeft veel mensen al se lage lonen sector ingeduwd. Nieuwe banen betalen vaak lagere lonen dan de banen die verdwenen zijn.

Bij de lagere lonen zijn de leenmogelijkheden afgenomen door strengere regels. Ondertussen moeten ook nog reeds bestaande schulden worden afgelost. Pensioenvoorzieningen zijn door de crisis sterk geslonken. Het duurt dus nog lang voordat men kan gaan genieten.

 

Ondertussen heeft de rijkste 10% genoeg geld om de economie weer op gang te brengen. Zij trokken de jaren voor de crisis 40% van het nationale inkomen naar zich toe en hebben in de crisis nauwelijks geleden. De waarde van hun aandelen zijn weer op niveau terwijl de middenklassers hun vermogen in hun huizen zit. In Nederland hebben welgestelden meestal nog een pensioen. Maar de waarde van de huizen zal voorlopig niet stijgen.

 

De financiŽle jongens die de rijkste 10% aan 50% van het nationale inkomen hielpen, zodat ze 40% konden sparen, vragen zich niet af waar die productiecapaciteit is gebleven die zij bespaard hebben. Die mensen zijn nu zonder werk en genereren geen consumptie en geen productie voor de economische wederopleving. En de overheid? Die doet daar ook niets aan met haar bezuinigingen. De overheid kan dat ook niet zonder belastingen te verhogen. De enige hoop is een dot.com revolutie die vele banen creŽert. Het fundamentele probleem verandert niet, te veel inkomen gaat naar niet consumerende mensen.

 

Maar er zijn nog steeds mensen die geloven dat de verlossing komt van een opleving van de wereldmarkt. Daarvoor zijn we zelf niet verantwoordelijk, daar kunnen we niets aan doen.

 

10.  Waarom China de wereld niet zal sparen

De idee dat Chinezen buitenlandse producten gaan kopen en dat de dollar minder waard zal worden om die producten betaalbaar te maken voor de Chinezen is een illusie. Voorlopig lenen ze de USA de dollars waarmee ze Chinese producten kunnen kopen.

 

Natuurlijk zullen de Chinezen meer kopen. Maar hoe snel dat zal gaan. En waar dat vandaan zal komen, is nog een open vraag. In China neemt de consumptie af van 50% in 2002 naar 35% in 2012, en de investeringen namen toe van 35% naar 44%. Dat is heel anders dan wat in elders gebeurt, waar vooral de consumptieve bestedingen groeien.

De Chinezen ploegen hun inkomen terug in investeringen. Zij streven naar een groei van de productie, niet naar een uitbalanceren met consumptie. De Chinese samenleving heeft nog geen sociaal vangnet, geen algemene gezondheidszorg, een tekort aan vrouwen. Voorlopig wordt China nog geen afzetmarkt voor USA producten.

 

De USA zijn graag leidend maar ze richten zich vooral op consumeren, niet op produceren. Ze zijn alleen leidend in het uitkeren van winsten, en in de militaire industrie. Daar heeft de normale bevolking niet veel aan.

 

Producten voor de Chinese markt worden meest in China gemaakt, ook als het van oorsprong buitenlandse producten zijn. Voorwaarde voor afzet is veelal dat de productie in China plaats vindt. Op die manier leren ze de techniek van consumentenproducten, autoís, generatoren, turbines, computers, zonnepanelen, materiaaltechnologie, etc.

 

China wil de producent van de wereld zijn en past desnoods de waarde van yuan op aan. Producten van buiten China zijn duur, producten uit China relatief goedkoop. Op die manier wordt er geen gebalanceerde uitwisseling van producten. De USA en China zijn beiden in staat veel meer te produceren dan hun consumenten kunnen kopen. In beide landen gaat een steeds groter deel van het inkomen naar de rijken.

 

In China dreigt daarom sociale onvrede, in de USA steeds meer werkloosheid en recessie. Een daling van de waarde van de dollar zou het verdere verval van de US economie kunnen tegen houden. Terugdraaien lijkt niet waarschijnlijk.

 

11.  Er is geen weg terug naar normaal

Terug naar normaal kan niet meer. Normaal heeft ons gebracht waar we nu zijn. Het gaat er nu om te achterhalen wat de kern van het probleem is.

 

De kern is dat de betaling voor de productie niet meer genoeg zijn voor de consumptie van diezelfde productie. Dat komt doordat bepaalde groepen zoín groot deel van de productie naar zich toe trekken dat de anderen tekort komen om het evenwicht te handhaven. De basisovereenkomst moet hersteld worden. Het beleid van investeren in de banken en de lage rente van de Centrale banken resulteerden in het voorkomen van een depressie na de recessie.

 

Groei is niet de alles zaligmakende oplossing. Groei is tegenwoordig vooral persoonlijke consumptie. Er moet ruimte gemaakt worden voor collectieve oplossingen. Minder lucht- en milieuvervuiling, en beter en vrij toegankelijk onderwijs, betere gezondheidszorg en andere zorg. Collectieve voorzieningen of publieke voorzieningen die iedereen iets te beiden hebben maken het makkelijker om belastingen te heffen. We hebben er allemaal iets aan.

 

Het stellen van beperkingen, hogere prijzen en uitsluitingen, de gemeenschap commercieel maken, heeft een tegenovergesteld effect. Alleen de rijken kunnen dan nog een leven leiden dat eens normaal was iedereen.

 

Terug naar CochA

 

Deel II

1.    De verkiezingen van 2020

Het platform voor een onafhankelijke politiek is zonder compromissen. Geen illegalen meer, geen immigratie meer uit AziŽ, Latijns Amerika en Afrika. Er komen importheffingen op alle producten. Bedrijven die hun activiteiten naar buiten Europa verplaatsen worden geboycot. Hedge funds worden verboden. De relaties met UNO, Wereld Bank, IMF worden verboden. Er wordt geen rente meer betaald op staatleningen. De handel met China wordt bevroren zolang de Yuan geen vrije wisselkoers heeft.

Bedrijven die winst maken mogen geen personeel meer ontslaan. De rijksbegroting moet altijd in evenwicht zijn en de centrale bank wordt opgeheven. Banken mogen alleen nog geld in bewaring nemen en leningen verstrekken. Speculeren is verboden op een minimale straf van 10 jaar.

 

Tot slot worden alle inkomens beperkt tot maximaal Ä500.000. alle inkomens die hoger zijn worden volledig wegbelast. Inkomens boven de Ä250.000 vallen in het 80% tarief. Winsten op investeringen vallen ook onder het 80% tarief. Bezittingen boven Ä100.000 vallen onder een 2% belasting. Het onderbrengen van gelden buiten de gemeenschap leidt tot verlies van het staatsburgerschap.

 

Op deze manier nemen de mensen hun land weer terug van de politiek, de ambtenaren, de grote bedrijven, de gecombineerde banken en verzekeringsmaatschappijen in de financiŽle instellingen. De USA of de EU, en Nederland, worden zo weer van de inwoners, en niet meer van het bedrijfsleven en politici.

De politieke tegenstanders verklaren deze politiek tot een gevaar voor de mensheid en de beschaving. Het bedrijfsleven voorspelt een diepe crisis. Beursen storten in. Banken sluiten.

 

Men vraagt zich af hoe het zover heeft kunnen komen?

 

2.    De economische politiek tot 2020

De economische ontwikkeling is heel belangrijk voor succes bij verkiezingen. Als de groei van de economie aan de zittende regering wordt toegeschreven, is het gunstig voor hen, anders is het gunstig voor de oppositie.

 

Het bedrijfsleven vindt dat werkers in de eerste wereld met minder verdiensten toekunnen omdat werkers in de derde wereld dat ook kunnen. Het is kiezen tussen geen werk of een lager inkomen. Starters op de arbeidsmarkt moeten het al jaren met minder doen dan hun ouders.

 

Er vindt ook een verschuiving plaats van merkartikelen naar goedkope merkloze artikelen. Hetzelfde gebeurt met geneesmiddelen, van merkartikelen naar generieke geneesmiddelen.

Men zoekt meer naar koopjes en is meer tijd kwijt aan zoeken. Men gaat zelf repareren want het laten doen is te duur. Hetzelfde geldt voor wassen.

 

De economie krimpt op alle fronten. Bij alle economieŽn past een volksaard. Amerikanen consumeren 70% van het nationale inkomen als het goed gaat, Britten 65%, Duitsers 55% en Japanners 52%.

 

Het is zaak de consumptie niet te veel in te laten zakken. Consumenten willen consumeren en dat is goed voor de economie. De politiek moet dat goed organiseren.

 

3.    Waarom we niet tevreden kunnen zijn met minder

De roep om tevreden te zijn met minder, te consuminderen, is eeuwenoud. Anderen zeggen dat men moet leven en niet moet oppotten; gelukkig zijn in plaats van rijk. Deze ervaringen worden gedeeld door rijke en minder rijke mensen.

 

Geld is belangrijk als je arm bent, daarboven verliest geld gauw zijn waarde. Dan gaat het erom tevreden te zijn. Andere zaken zijn belangrijker, als voedsel, onderdak, seks en slaap, veiligheid en zekerheid, allemaal met geld te koop. Daarna gelden zaken als erbij horen en zelfvertrouwen, status en erkenning. Allemaal zaken die je verdient door gedrag. (Maslow) De top is natuurlijk jezelf te realiseren in je zijn.

 

Je kunt redeneren dat minder geld kan leiden tot terugvallen op oude waarden en die weer gaan waarderen. Minder uitgeven aan reizen, minder antidepressiva. Harder werken om dingen te kopen geeft deze dingen ook meer waarde.

Maar we zijn gewend aan een wereld waarin je met hard werken je wensen meteen kunt vervullen. Dat is nog steeds de kern. Kijk naar de hele infotainment en de communicatie die nu de industrie voor onmiddellijke bevrediging is.

 

Hard werken voor een latere beloning is altijd al een beetje leugen geweest. Lang sparen leidt vaak nergens toe, hooguit tot een teleurstelling.

Rustiger leven leidt wel tot minder verkeersdoden. Hoewel de automobielindustrie dat zal toeschrijven aan veiliger autoís, en het instituut voor verkeersveiligheid aan betere regels en handhaving.

 

Minder economische activiteit leidt tot minder verkeer, en dat merk je. Hetzelfde geldt voor de veiligheid op de werkplek. Minder werk leidt tot minder werkdruk en minder ongelukken.

We kunnen met minder, maar daar moeten we wel voor inleveren.

 

4.    De pijn van economisch verlies

Allereerst lijden we onder een verlies in levensstandaard. Mensen hebben geen geld over voor het verdubbelen van hun spaargeld, nog om het verdwijnen ervan te voorkomen. Iets weggeven is moeilijker dan iets kopen. Zie de huizenmarkt, mensen waren bereid steeds hogere prijzen te betalen, maar verkopen voor minder is veel moeilijker.

 

Verlies van eigendom en voordelen leiden tot hoge stress. Denk aan CV, wasdroger, TV. Werkloosheid leidt tot meer zelfmoorden. Het idee opgeven dat de toekomst beter zal zijn, brengt veel problemen met zich mee. Waar leef je dan voor? Om het slechter te krijgen? Dan is er geen hoop meer.

 

De vraag is of mensen dat zichzelf moeten kwalijk nemen of de maatschappij?

 

5.    Van kwaad tot erger

De rijken zijn na de crisis weer rijk omdat hun vermogenstitels de aandelenbeurzen volgden. Gewone mensen hadden hun bezit om in te wonen, en dat bleef laag in waarde. Bovendien bleef de waarde van hun schulden wat het was, een schuld.

 

De niet rijken verloren echt in de crisis en in de tijd daarna. Veel banen werden geschrapt waardoor ze werkloos werden. Als er al nieuwe banen waren, dan moesten die de productie en de verkoop doen stijgen. Ook werd ingezet op robots.

 

De financiŽle sector is nog steeds uitgebreid aan het gokken met het geld van anderen. De winst is voor hen, het verlies voor de anderen. Voor de managers van grote ondernemingen zijn de salarissen niet teruggegaan zoals bij de productiemensen en hun managers.

 

Mensen meten hun rijkdom af aan wat hun naasten, en de rijken, kunnen en doen. Dat doen ze ook in de virtuele wereld van computersimulaties. Rijkdom is net iets meer hebben dan de buren. Hoe meer gelijk de inkomens zijn hoe gelukkiger de mensen.

 

Welvaart leidt tot een gelukkiger en gezonder leven zolang de onderlinge verschillen niet te groot zijn. Tegenwoordig zijn de verschillen snel zichtbaar op internet. Grote huizen, autoís, dure kleding en extreme feesten. De rijken zijn continue zichtbaar voor de mensen die het minder getroffen hebben.

 

Ook plekken op scholen en universiteiten die de rijken kunnen kopen onderscheiden hen van het gewone volk. Desnoods helpen speciale leraren en tutors hen de examens te halen.

Geneeskundige hulp wordt ook een selecterende voorziening. Als je rijk bent krijg je die hulp in een speciale kliniek, anders kun je achter aansluiten in de rij van het algemene ziekenhuis. Dat gebeurt gewoon door de prijzen van de kliniek te verhogen.

 

het verdwijnen van de rijken uit de algemene instellingen is een verlies voor de minder rijken. Ze geven er geen geld meer aan uit. Daardoor neemt de kwaliteit af. De rijken verdwijnen uit de gewone gebieden. Dan hoeven ze minder belasting te betalen. Ze dragen niet meer bij aan de algemene voorzieningen.

 

Door het vergroten van de inkomensverschillen neemt het algemene geluk af. De enigszins gelijkmatige samenleving wordt een maatschappij van tegenstellingen, een maatschappij van haves en have nots, een klassenmaatschappij.

Er ontstaan klassen van economische koningen en de anderen hebben geen kans meer om hogerop te komen.

 

6.    Woede over een doorgestoken kaart

Hoge werkloosheid en lage lonen zijn voor langere tijd eventueel aanvaardbaar, maar als er geen ontsnappen meer mogelijk is ondanks noeste arbeid omdat de uitweg geblokkeerd is door de rijken, dan kan er een probleem ontstaan. Dat geldt voor hen die nog werk hebben gevonden.

 

Als iedereen gelijk lijdt, dan is het lijden draagbaar. Als sommigen de dans ontspringen, dan wordt het moeilijker. Maar als sommigen profiteren ten koste van de anderen, dan wordt het onaanvaardbaar. Dat gebeurt nu op nationale en internationale schaal. Dat gebeurde tijdens de grote recessie van de jaren dertig van de vorige eeuw, dat gebeurt nu weer.

 

Werklozenuitkering worden verminderd, de bijstand wordt verlaagd en verscherpt. De vakbonden zijn nog maar een fractie van de kracht die ze waren. In Nederland hebben ze die kracht dankzij de werkgevers. Die wilden een onderhandelingspartner behouden.

 

Bedrijven zijn door hedge funds opgezadeld met grote schulden terwijl diezelfde fondsen de kassen hebben geplunderd. De vorige eigenaars met de buit zijn vertrokken. FinanciŽle instellingen hebben de maatschappij met miljarden verliezen opgezadeld terwijl consultants, handelaren en directies alweer geweldige verdiensten opstrijken.

 

Accountants en advocatenkantoren creŽren belastingvluchtroutes opdat de rijken steeds minder belasting hoeven te betalen. Nederland is zoín belastingparadijs. Andere landen lopen daardoor belasting mis op inkomens die daar verdiend zijn, terwijl Nederland er ook nauwelijks iets wijzer van wordt.

 

Sommige financiŽle bedrijven zadelden klanten tegen hoge prijzen op met slechte financiŽle producten terwijl ze op de markt tegen het succes van hun klanten gokten. Ze maakten zo dubbele winsten met hun bedrog. En de overheid? Die deed niets.

 

Ondanks al deze feiten bleven de mensen de politieke partijen grotendeels trouw, hoewel, het vertrouwen begint af te nemen met de invloed die de rijken hebben op het beleid. Men begint te zien dat er meer en meer niet klopt.

 

Hoewel de mensen nog een redelijk bestaansniveau hebben, hoewel de mogelijkheden tot compensatie verdwenen zijn, hoewel de grote ondernemingen en de financieringsinstellingen hun mogelijkheden volop gebruiken.

Maar de mensen beginnen de signalen op te pikken van het spel dat gespeeld wordt, en dat zij de verliezers zijn.

 

De gigantische uitkoop van de banken van de banken heeft kunnen plaatsvinden doordat de banken hebben heel goede contacten hebben met de politiek. Dat geldt in de USA, maar dat geldt ook in Nederland. In de USA hebben de mannen van Wallstreet dat door hun positie in de regering nadat ze aan de beurs gewerkt hebben. Maar dat is hier ook niet vreemd met ministers die uit het bedrijfsleven komen, en ministers en ambtenaren die daar later naar toe gaan. Het is de EU al opgevallen.

 

Maar wat hebben de gewone bedrijven daaraan? Wat hebben de werkenden daaraan? De banken en de financiŽle specialisten draaien al weer leuke winsten terwijl de gemeenschap nog bezig is de schulden die zij hebben veroorzaakt terug te betalen. De banken zijn gered terwijl het MKB failliet gaat en de werkloosheid blijft stijgen.

 

Waarom worden banken niet teruggebracht tot de bedrijven die ze waren voordat ze de crisis gingen organiseren? Spaarbanken, hypotheekbanken, handelsbanken, levensverzekeringen, pensioenverzekeringen, schadeverzekeringen, investeringsbanken. Ze waren allemaal apart en goed gecontroleerd op basis van de ervaringen uit het verleden.

Hoe verder dat verleden teruglag, hoe minder beangstigend het was. Tijd om dynamisch de fouten uit het verleden te herhalen. Dat pad zijn we eind jaren tachtig overal opgegaan. De mensen van de grote banken en de grote bedrijven zaten er bij. Ze zaten er overal bij, of ze zaten aan de knoppen, om het te organiseren.

 

Een andere manier waarop banken en grootbedrijven de politiek beÔnvloeden, is door hun steun. Politieke partijen hebben steeds meer geld nodig om campagne te voeren. De gulle gevers van het geld zijn natuurlijk de rijken en de bedrijven. Op die manier krijgen ze ook invloed. Een telefoontje is vlot gepleegd, een etentje vlot geregeld. Er wordt geen invloed uitgeoefend, ze zorgen gewoon dat ze in hetzelfde sociale circuit zitten.

 

Lobbyen is geworden van een ongewenste beÔnvloeding van de politiek, tot een deel van de politieke bedrijfstak. Politici krijgen dingen voor elkaar door relevante beslissers in bedrijven te beÔnvloeden. Bedrijven krijgen dingen voor elkaar door de overheid en de wetgevers te beÔnvloeden. De mensen uit de gewone economie hebben geen tijd en geen geld om zich daarmee bezig te houden. Vakbondleiders zijn niet de mensen die zich in de chique hotels ophouden om volksvertegenwoordigers tegen te komen.

 

Wat de gewone man ziet, is dat geld van de belastingen gebruikt wordt om bedrijven te subsidiŽren en dat de overheid de belangen van bedrijven behartigen, en niet die van de burger. Belastingen worden verlaagd ten gunste van de bedrijven en de hoge inkomens. Werk verdween naar het verre oosten en de werkloosheid hier neemt toe. De rijken betalen vaak minder belasting dan de werkende mens en ondertussen claimen zij dat zij belangrijk zijn voor de economie. De rijken verplaatsen het werk naar elders (hoewel het nu terug lijkt te komen als lagelonenwerk of dwangarbeid van de SD) en de werkers raken werkloos.

 

Slimme jongens van investeringsmaatschappijen en hedge funds organiseren hun activiteiten zo dat de kosten in de bedrijven komen en hun winsten tegen weinig of geen belastingen ergens anders. Er is sprake van een zorgvuldig geregisseerd hellend speelveld waarbij arbeid aan de kant zit waar de knikkers niet naartoe rollen. Het gelijke speelveld is meer voor de retoriek van de discussie. Verder is er een doodse stilte

 

7.    Het beleid van het kwaad

Wat kunnen burgers hieraan doen? Vaak zal de energie zich richten tegen het voordeel dat men bij anderen ziet. De politiek in Nederland maakt daar slim gebruik van. De bijstand is het makkelijke doelwit. Die profiteurs die geen werk hebben en wel een riante uitkering. Korten die mensen.

 

Mensen schijnen bevrediging te vinden in het onmogelijk maken van in hun ogen unfaire inkomsten. En het trapt makkelijker naar beneden dan naar boven. Maar net zo makkelijk wil men de rijken straffen voor hun hoge inkomsten. Dat kan gevaarlijk zijn. Men moet niet de koe van een ander dood maken omdat men zelf geen koe heeft. Dat leidt tot meer armoe.

 

De politiek wordt harder. Politici ontvangen doodsbedreigingen. Het publiek vertrouwt de politiek niet meer na alle tegenslagen. Men raakt verbitterd omdat politici, bankiers en aandeelhouders goed voor zichzelf zorgen.

 

Reacties zijn soms uitgesproken vijandig, tegen de elite of teruggrijpend op oude ideeŽn als nationalisme, de teaparty of anonymous 99%. In Nederland kennen we de PVV met extreem grote aanhang die zich presenteert als tegenelite. Het taalgebruik is grover geworden. Men ziet eerder samenzweringen ontstaan. Vaak neemt de elite het heft in handen om de grote tegenstellingen in de toekomst te voorkomen. Roosevelt deed dat, in Nederland hadden we Het Plan van de Arbeid. Maar voorlopig waait de elite nog mee, behalve GroenLinks. Die hebben een plan.

 

In de USA wordt de Fed beheerd door een groep bankiers, niet door het volk. In Europa is de centrale bank een onafhankelijk instituut dat de waarde van de euro stabiel moet houden. Maar ondertussen gaat de zeggenschap van de president van de ECB, een oud werknemer van de bank Goldman Sachs, veel verder.

 

De risicoís van de economische druk duren voort. Naarmate meer mensen zonder werk komen, naarmate meer mensen het zicht op een redelijk leven en bijbehorende inkomen verliezen, zal de onrust toenemen. Dat is het moment waarop mensen om een sterke man vragen om de problemen op te lossen.

 

Het is tijd voor hervormingen. Tijd voor veranderingen die op tijd en omvangrijk genoeg zijn om de problemen op te lossen. De tijd begint te dringen.

 

Terug naar CochA

 

Deel III De basisovereenkomst herstellen

 

1.    Wat te doen, een nieuw akkoord voor de middenklasse

Als we niet willen accepteren dat de economie afglijdt naar een land zonder gelijke kansen voor iedereen, een land waarin het alleen maar slechter kan gaan, een land waar waarin big business ongehinderd zín gang kan zijn, dan moet er iets gebeuren. Succes is niet verzekerd, maar het is een feit dat de recessie veroorzaakt wordt door onevenredige opeenhoping van inkomens bij de top en er onvoldoende koopkracht is bij de middengroepen.

 

Een oplossing is een negatieve inkomstenbelasting, een soort basisinkomen via de belasting. Er wordt geen belasting ingehouden van het salaris, het salaris wordt aangevuld tot een zeker niveau voor allen.

Loon††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† toeslag††††††††††††† loon ††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† toeslag

20.000††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† 15.000††††††††††††† 30.000††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† 10.000

40.000††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† 5.000††††††††††††† 50.000†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††† 0

 

Daarna volgt een belastingvoor de inkomens tussen 50.000 en 90.000 van 10%, voor de inkomens tussen 90.000 en 160.000 van 20%.

De kosten van deze uitgaven en vermindering van inkomen voor de staat wordt opgevangen door een belasting op de aankoop van koolstof en de uitstoot van kooldioxide, en door hogere belastingen op topinkomens.

 

Voor elke ton brandstof die de plek van productie verlaat, of de haven binnenkomt, wordt een belasting geheven op basis van de hoeveelheid koolstof die de brandstof bevat en die in de vorm van kooldioxide in het productieproces vrij kan komen. Een beginprijs van 35,00 per ton zal de kosten voor het gebruik van energie duidelijk maken. Het stijgen van de prijs over de jaren naar 100,00 per ton zal de consumptie van energie verminderen. De prijzen van energieproducten zullen natuurlijk stijgen. Consumenten kunnen die prijsverhogingen vermijden door andere producten te kopen, die minder kooldioxiden bevatten.

 

De lage inkomens zijn ruimschoots gecompenseerd voor de prijsstijgingen en producerende bedrijven zullen op zoek gaan naar minder kostbare productiemethoden. De belasting op kooldioxide stimuleert de economie naar nieuwe ontwikkelingen en investeringen.

 

De hoogste marginale inkomens betalen 55% belasting om de groter wordende kloof tussen arm en rijk enigszins te beperken. Dat geldt vanaf een inkomen vanaf 410.000. De andere veelverdieners betalen minder, maar toch veel belasting.

260.000 Ė 460.000 †††††††††††††††††††††††††† 50% ††††††††† 160.000 Ė 260.000 †††††††††††††††††††††††††† 40%

 

Het maakt niet uit of het inkomen verdiend wordt als salaris of als kapitaalsinkomen. Ook de toename van het kapitaal wordt zo belast, ook dat is inkomen.

 

Deze belastingen zijn geen aantasting van de investeringsbereidheid. In tijden van grote investeringen was de marginale belastingdruk veel hoger (70-95%). Dat vormde toen geen belemmering, waarom zou dat nu wel het geval zijn? Er is geen aantoonbare relatie tussen lagere belastindruk en stijgende investeringen.

 

Het doel van de belastingverlaging voor de lagere inkomens is om de productiecapaciteit van de economie beter te benutten, niet om voor Robin Hood te spelen. De bestedingen van de lagere inkomens zorgen voor een duurzame ontwikkeling van de economie, dat betekent hogere winsten voor bedrijven. Ook de aandelenmarkten zullen de positieve effecten ervan ondervinden. De rijken ontvangen waarschijnlijk een kleiner aandeel in de winst, maar de omvang van de winsten zal veel groter zijn.

 

Ook de rijken zullen rijker worden, maar zij niet alleen.

 

Er moet gewerkt worden aan een systeem van werkgelegenheid en niet van werkloosheid. Het oude systeem was ontwikkeld om mensen de tijd tussen werk te helpen overbruggen. Mensen raken hun baan tegenwoordig voor altijd kwijt.

Banen zijn structureel, niet conjunctureel. Hoge aantallen werklozen bedreigen het sociale vangnet. Nodig is een systeem dat mensen nieuwe banen laat vinden.

Loonverzekering zou een deel van die onzekerheid kunnen opvangen. Een verzekering die 90% van het oude loon garandeert voor 2 jaar. Mensen kunnen zo makkelijker een mindere baan accepteren. Een andere mogelijkheid is training of scholing voor een andere baan waar vraag naar is. Verder dienen bedrijven die mensen ontslaan de kosten van de werkloosheid te vergoeden. Andere oplossingen zijn vouchers voor scholing en beurzen voor technische opleidingen, die uit de toekomstige verdiensten worden terugbetaald.

 

Verder dient er een volksverzekering te komen die allen een hoog niveau van medische zorg biedt. Geen systeem voor budgettering of planning, maar een systeem dat medische nood en noodzaak als uitgangspunt neemt.

Er moeten meer collectieve en publieke goederen en diensten komen. Denk aan scholen, water, elektriciteit en spoorwegen. Die moeten weer van de gemeenschap worden en niet van private ondernemingen.

 

Tot slot moet de politiek weer een kwestie van mensen worden, niet van financiers, media en Tv-shows. Politiek is niet quid pro quo maar autoriteit voor allemaal. De wetgever werkt voor iedereen en niet allen voor kapitaalkrachtige belangengroepen.

 

2.    Hoe krijg je dat voor elkaar

Praktisch en realistisch. De pendule moet terug naar meer gemeenschap en vooruitgang. Dat kan alleen als op alle niveaus van de maatschappij wordt samengewerkt. Nu wordt er vooral gewerkt aan het versterken van de positie van de sterken door het verzwakken van de positie van de zwakkeren.

 

Er is een juist frame nodig om de verandering te bewerkstelligen. De fundamentele crisis bleef onopgelost door allereerst de financiŽle crisis op te lossen. De grote brand was geblust, maar de vele kleine branden gingen door. De middenstand, de koophuizen, de pensioenen, de reserves van de kleine man, die gingen eraan. Werkloosheid, gedwongen verkopen en faillissementen verharden de maatschappij en maken de mensen bang.

 

Voorbeeld is de zorgverzekering. De mensen moeten steeds meer betalen, het systeem wordt te duur en de verzekeringsmaatschappijen maken winst. Daarnaast worden mensen in de zorg worden ontslagen.

 

De dreiging van een recessie loert nog steeds want de bestedingen blijven achter, en de mensen zijn nog steeds bang om hun geld uit te geven. Elke beweging op de bodem van de crisis wordt toegejuicht als het begin van de gang omhoog. Winstmakende ondernemingen potten hun winsten nog steeds op. Ze durven niet te investeren. Maar ze keren de winsten ook niet uit. Winsten worden gebruikt om aandelen op te kopen zodat de winst per aandeel verder stijgt. De handel neemt af, de goederenstromen worden minder, de crisis breidt uit.

 

Het is tijd dat de pendule van de politieke economie weer terugkeert van veel winst in weinig handen naar weinig winst in vele handen. Daardoor kan iedereen weer aan het werk en wordt de productiecapaciteit weer beter benut, voor iedereen en niet voor de happy few.

 

Het publiek moet weer vertrouwen krijgen waardoor het systeem weer duurzamer wordt.

Terug naar CochA

 


Aanvulling

 

Een voorbeeld uit de dagelijkse politiek. Een betrokken lid van een sociaaldemocratische politieke partij wijst een bestuurder op de mogelijkheid geld te verdienen met windmolens. Een windmolen levert jaarlijks 5 mln. aan elektriciteit op, en de investeringen worden graag door private investeerders gedaan i.v.m. de grote belastingvoordelen van milieuvriendelijk investeren. Als groot voordeel ziet hij de opbrengsten voor de gemeente, opbrengsten die gebruikt kunnen worden voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid.

Hier wordt dus door een sociaaldemocraat die graag wat doet aan de werkloosheid van jongeren een investeringsmogelijkheid geboden aan mensen met geld, om nog meer geld te krijgen. De mogelijkheid om met consumptie meer economische activiteit en werk te creŽren is al uit het zicht verdwenen. De inzet van middelen voor jeugdwerkloosheid bestaat uit het subsidiŽren van banen, die er niet echt zijn door de achterblijvende consumptie.

Het geloof in de klassieke bodemtheorie en de verwachte wederopleving als het diepste punt eenmaal bereikt is, is groot. Dat er niet geÔnvesteerd zal worden als er onvoldoende groei van de consumptie, van de afzet, van de markt is, wordt vergeten.

 

Er moet niet meer verdiend worden dan de economie kan produceren, en er moet niet meer geproduceerd worden dan de normale producenten kunnen consumeren. Discrepanties kunnen op den duur tot onevenwichtigheden leiden.

De idee dat op wereldschaal altijd evenwicht is, is tot nu toe gelogenstraft. De ongelijke verdeling van kapitaal en vermogen om te consumeren leidt tot vraaguitval op wereldschaal.

Dat mensen die produceren niet genoeg verdienen om te kunnen consumeren wat ze produceren, betekent een onevenwichtigheid. Die onevenwichtigheid leidt tot discrepanties, die weer leiden tot crises.

 

De rijken consumeren niet genoeg in verhouding tot de productiecapaciteit. Dat komt door te hoge inkomens en te lage belastingen over die te hoge inkomens. Belastingen kunnen er voor zorgen dat het geld wordt uitgegeven voor consumptie.

De idee dat geld dat rijken niet uitgeven niet concurreert met nuttiger bestedingen is waar. Maar het is ook waar dat geld dat niet wordt uitgegeven, niet leidt tot productie. Daarmee lopen we ook de vervolgconsumptie mis, etc.

 

Het is economisch veel verstandiger de hoge inkomens te verdelen over mensen die niet genoeg hebben. Zij consumeren tenminste en zorgen daarmee voor banen van anderen die hun inkomen ook weer consumeren.

 

De idee dat door hoge inkomens de besten het hardst werken, klopt niet. De besten willen genoeg verdienen, genoeg in verhouding tot wat ze presteren en in verhouding tot wat anderen in hun omgeving verdienen. Meer verdienen dan ze uit kunnen geven heeft geen zin. Dit zijn opmerkingen van mensen als John Maynard Keynes en Marriner Eccles. De eerste de beroemde econoom, de tweede een rijke bankier wiens naam verbonden is aan het gebouw van de Federal Reserve Board in Washington DC, een instituut waarvan hij een de oprichters van was.

 

 

Terug naar CochA

 

Lees hieronder een instemmend en een tegengeluid

 

'Middenklasse brokkelt af'

Esther Bijlo − 03/03/14, 09:45; uit de Volkskrant

© anpEen robot zoekt en sorteert medicijnen in een apotheek in Nijmegen, en legt deze klaar.

Nederlandse topeconomen maken zich zorgen over de toenemende inkomensongelijkheid. Daarnaast zijn ze bang dat de middenklasse in Nederland in de verdrukking komt door de oprukkende robotisering. Dit blijkt uit een peiling van de economensite Me Judice die vandaag verschijnt.

De positie van de middenklasse staat ook zeer onder druk door toenemende lastenverzwaringen en afnemende publieke voorzieningen

Meer dan de helft van de ongeveer vijftig ondervraagde economen, vooral hoogleraren, vindt de groeiende inkomensongelijkheid in Nederland verontrustend. Eťn op de vijf is het daar niet mee eens. De grotere kloof tussen arm en rijk binnen landen is internationaal een hot item. 

In Nederland is het gat kleiner dan in bijvoorbeeld de VS, constateert Paul de Beer, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Echter, 'de groeiende kloof tussen de hoogste en de laagste inkomens is nadelig voor de sociale samenhang en kan weerstand onder de laagste inkomensgroepen oproepen'.

Die vrees deelt de Amsterdamse hoogleraar Sweder van Wijnbergen: "Toenemende ongelijkheid leidt tot polarisering en een onstabiel ondernemersklimaat". Jaap van Duijn, voorheen directeur van Robeco en hoogleraar in Rotterdam en Amsterdam, ziet dat werknemers steeds vaker aan het kortste eind trekken.
 

Verontrustende tweedeling
"Tussen 1950 en 1980 was de factor arbeid aan de winnende hand, sinds 1980 verliest arbeid terrein ten gunste van kapitaalverschaffers en de top van het management", stelt Van Duijn in een toelichting op de peiling. "Die beweging moet op enig moment stoppen, want anders bijt de hond in de eigen staart."

De economen die nog geen verontrustende tweedeling in Nederland zien, wijzen naar het buitenland. "In landen als het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Rusland, China, BraziliŽ en Nigeria is de inkomensongelijkheid veel groter", stelt Rick van der Ploeg, hoogleraar aan de Universiteit van Oxford.
 

Zorgelijker volgens Van der Ploeg is de toekomst van de middenklasse. Met de stelling uit de peiling dat 'de positie van de middenklasse onder invloed van technologische vooruitgang sterk zal worden uitgehold', is Van der Ploeg het eens. "De positie wordt niet alleen door automatisering, maar ook door offshoring uitgehold. Politiek bezien leidt het wegvallen van de middenklasse tot een aardverschuiving."

Ruim 60 procent van de ondervraagde economen onderschrijft de stelling over de uitholling van de middenklasse. "De positie van de middenklasse wordt niet alleen op de arbeidsmarkt door robotisering uitgehold, maar staat ook zeer onder druk door toenemende lastenverzwaringen en afnemende publieke voorzieningen", licht Sylvester Eijffinger toe, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. "De grens voor de middenklasse is reeds gepasseerd."

Omscholingsprogramma's
Net als Van der Ploeg wijst Frank den Butter, tot voor kort hoogleraar aan de Vrije Universiteit, meer naar de mondialisering dan naar de opkomst van robots. "Uit onderzoek blijkt dat de vraag naar routinematige arbeid afneemt. Dat is niet zozeer het gevolg van technologische vooruitgang maar van de verdeling van taken bij de internationale fragmentatie van productie."

Of de middenklasse door die ontwikkelingen langdurig de pineut zal zijn, is nog maar de vraag volgens de economen. De arbeidsmarkt zal zich aanpassen, omscholingsprogramma's kunnen leiden naar ander werk en er ontstaan ook nieuwe functies.
 

"Ongetwijfeld ontstaat door technologische ontwikkelingen ook weer nieuw werk, maar anders", denkt Joop Schippers, hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht. "Dat vergt wel aanpassingen, maar maakt de middenklasse niet kansloos."

Schippers ontleent ook optimisme aan de komende vergrijzing: "De demografische ontwikkeling maakt arbeid in geval van een aantrekkende markt al snel schaars".

 

Terug naar CochA

 

En een tegengeluid.

 

Het loopt wel los met die baanloze economie

Mark Dijkstra − 06/03/14, 16:48; uit de Volkskrant

 

© anp. Productierobots in de fabriek van VDL Nedcar in Born.

OPINIE MARK DIJKSTRA   Technologische vooruitgang hoeft helemaal geen werkloosheid te betekenen, zegt promovendus Mark Dijkstra. 'Een meerderheid vindt wel werk.'

Tegelijkertijd is het einde van werkgelegenheid al vaker aangekondigd, zodat je je kunt afvragen waarom nu ineens alle banen zouden verdwijnen

Technologische vooruitgang leidt ertoe dat we onze banen verliezen. Dat is de strekking van Esther Bijlo's artikel (Verdieping, 23 februari), en hoogleraar Harry Hummels gooit er nog een schepje bovenop met zijn opiniestuk 'Eťn miljard werkenden erbij: wat gaan die doen?' (Opinie, 26 februari). Tegelijkertijd is het einde van werkgelegenheid al vaker aangekondigd, zodat je je kunt afvragen waarom nu ineens alle banen zouden verdwijnen terwijl dit eerder niet is gebeurd.

Op zich klinkt het logisch: machines worden steeds efficiŽnter en zijn steeds beter in staat om taken van mensen over te nemen, zodat mensen hun baan verliezen. Het gaat hier vooral om de verdeling van banen tussen sectoren in plaats van de totale werkgelegenheid. Nobelprijswinnaar Paul Krugman illustreert dit aan de hand van een modeleconomie: Stel dat je een economie hebt met zes miljoen inwoners, die elke dag een worstje of een broodje produceren. De helft van de inwoners maakt worstjes en de andere helft broodjes, zodat deze economie elke dag drie miljoen hotdogs produceert.

Verschuiving
Nu vindt er een technologische doorbraak plaats in de broodjesindustrie, waardoor het maken van een broodje nog maar een halve dag kost. Als twee miljoen mensen in de broodjesindustrie blijven en vier miljoen in de worstjesindustrie gaan werken, produceert deze economie nu vier miljoen hotdogs, een miljoen hotdogs meer dan voor de technologische vooruitgang.

In de broodjesindustrie werken dus minder mensen. Door alleen naar deze sector te kijken, is het makkelijk te concluderen dat banen verdwijnen door technologische vooruitgang. Maar hier is alleen sprake van een verschuiving van arbeid naar andere sectoren, terwijl de gehele productie is toegenomen. Als je de broodjessector in dit model vervangt door de industrie, en de worstjessector door de dienstensector, kom je ongeveer op het patroon waar in een groeiende economie de dienstensector steeds groter wordt ten koste van de industrie.

         © ANP. Een robot zoekt en sorteert medicijnen in een apotheek in Nijmegen en legt deze klaar.

Het is dan ook van belang ervoor te zorgen dat de transitie tussen sectoren zo eenvoudig mogelijk wordt

De werkelijkheid is weerbarstiger dan dit simpele model. Het is niet eenvoudig om miljoenen mensen naar andere industrieŽn te verplaatsen, en dit kan tot langdurige werkloosheid leiden in gebieden waar arbeidsplaatsen verdwijnen door technologische vooruitgang. Denk aan voormalige industriegebieden in Groot-BrittanniŽ of WalloniŽ. En zelfs als arbeid makkelijk verschuift van de ene sector naar de andere, kan dit gepaard gaan met inkomensverschillen. De meerderheid van Nederlandse topeconomen voorziet dat technologische vooruitgang de middenklasse uitholt, omdat vooral deze groep zijn banen ziet verdwijnen.

Migratiebeleid
Maar dit betekent niet dat we alleen maar kunnen afwachten, of proberen technologische vooruitgang tegen te houden. Nieuwe technologie zorgt naast het verdwijnen van oude banen ook voor nieuwe banen. Tegenwoordig werken nog maar weinig mensen als telefoonoperator aan een switchboard, maar veel meer als programmeur van iPhone-apps. Dit is wel een lange-termijnargument, en het is dan ook van belang ervoor te zorgen dat de transitie tussen sectoren zo eenvoudig mogelijk wordt. Hier ligt een rol voor onderwijs, voor om- en bijscholing, en voor migratiebeleid om verhuizen makkelijker te maken.

Na een periode van werkloosheid vindt de meerderheid nog steeds werk, ondanks een voortdenderende technologie en uitdijende bevolking. Voorlopig lijkt het verdwijnen van banen door technologie geen reden tot paniek, al zijn er wel redenen je zorgen te maken.

Mark Dijkstra: promovendus economie Universiteit van Amsterdam

 

Terug naar CochA